Met biomonitoring worden gevaarlijke stoffen uit de werkomgeving in het lichaam gemeten, bijvoorbeeld via bloed of urine. Sensoring wordt buiten het lichaam toegepast. Deze meetinstrumenten kunnen bijdragen aan gezond en veilig werken. Maar dit positieve effect kan makkelijk botsen met ethische aspecten en het belang van werknemers bij bescherming van hun privacy.

In het advies Biomonitoring en sensoring: gezondheid en privacy op de werkvloer centraal staan de volgende drie punten centraal:

Wettelijke biologische grenswaarden

De raad heeft een voorkeur dat gevaarlijke stoffen op de werkplek niet biologisch maar via omgevingsbeoordelingen worden gemeten, als daarmee de blootstelling aan een gevaarlijke stof even goed of beter kan wordt bepaald. Lood is nu de enige stof waarvoor een wettelijke biologische grenswaarde bestaat.

Bedrijfsarts en privacy

Deelname aan biomonitoring vindt plaats op basis van vrijwilligheid. De bedrijfsarts heeft een centrale rol bij het bewaken van de privacy van de werknemers die deelnemen aan biomonitoring. Gegevens die via biomonitoring worden verkregen, zijn gezondheidsgegevens volgens de AVG. De bedrijfsarts mag deze gegevens daarom alleen delen met de werknemer. Bovendien heeft de bedrijfsarts een geheimhoudingsplicht.

Sensoren moeten betrouwbaarder worden

Sensoren worden onder andere toegepast in alarmen om bedrijfsongevallen te voorkomen. Zulke alarmen kunnen stationair zijn (bijvoorbeeld een CO2 melder die in een bedrijfsruimte hangt) of op de werkkleding worden gedragen (wearables). Voor een zinvol gebruik van sensoren – met name de wearables – is meer kennis nodig over hun betrouwbaarheid, validiteit en accuraatheid.

Download:

Tekst: SER
Afbeelding: AVDD / Redactie ODB

KlussenKlussen