Defensie 2.0, Hart of hard voor je personeel?

1465

De redactie van de ODB werd in de afgelopen week gewezen op een stuk van Frans Matser die een stuk had geplaatst in het blad Armex. Het stuk was aanleiding voor de redactie om zijn “blog” te publiceren. In dit stuk komt u precies de grieven en zorgen van de werkvloer tegen die dagelijks door de ODB worden gehoord en gezien. Waartegen wij ook actie voeren. Ook (niet met name genoemd) het gebrek aan daadkracht, hulp en ondersteuning vanuit de vakbonden kunt u tussen de regels lezen. Hoog tijd voor een andere aanpak, hoog tijd voor een ander geluid. Hoog tijd voor de ODB.

De Blog van Frans Matser: Defensie 2.0, Hart of hard voor je personeel?

De stapeling van bezuinigingen en reducties bij Defensie maakt dat er voor militairen moeilijke tijden aanbreken. De vergrijzing, de huizencrisis en de eurocrisis blijven zware druk zetten op de overheidsfinanciën. En Defensie is in de laatste jaren tot een sluitpost van de rijksbegroting verworden. Het defensiebudget lijkt nog het meest op een grabbelton, waarin elke partij op gezette tijden een greep mag doen. Tanks, helikopters, schepen; een bataljon hier of daar minder: altijd prijs, maakt niet uit wat je pakt. En achteraf wordt er een mooie doelredenering verzonnen om het gegrabbel in een theoretisch, ‘visionair’ kader te plaatsen. Zo wordt de krijgsmacht weer ‘toekomst vast’ gemaakt. Voor een paar jaar…

Bovendien waait er sinds enige jaren een gure wind in personeelsland. Natuurlijk niet alleen bij Defensie. Wat er bij Defensie gebeurt, is eerder een onderdeel van de algemene tendens op personeelsgebied in Nederland. En die tendens is in een paar steekwoorden weer te geven: minder vaste contracten, slechtere arbeidsvoorwaarden, hogere pensioenleeftijd, lagere pensioenuitkeringen en grotere flexibiliteit. Dat laatste lijkt iets positiefs – en zo brengen werkgevers dat doorgaans ook – maar het betekent in essentie dat werknemers zelf voor een studie moeten opdraaien, gemakkelijker ander werk moeten accepteren en sneller en eenvoudiger ontslagen kunnen worden. Kortom: zaken waar de gemiddelde werknemer niet erg warm voor loopt. Als we naar de concrete ontwikkelingen bij Defensie kijken, zien we overigens dat de werkgever Defensie het nog veel bonter maakt dan de algemene tendens. Oordeelt u zelf.

Gehandicapte krijgsmacht

De Nederlandse krijgsmacht heeft zich de afgelopen 20 jaar ontwikkeld tot een professionele, expeditionaire strijdmacht die daarnaast ook – vrijwel onzichtbaar – duizenden keren per jaar nationaal wordt ingezet. Dat is mooi en daar kan Nederland trots op zijn. Maar de militairen kopen daar niet veel voor, want tegelijkertijd blijven investeringen achter, is er te weinig geld om te oefenen en is de krijgsmacht flink kleiner geworden. En kleiner is niet beter, zoals sommige politici ons willen doen geloven. Zo is vanuit het oogpunt van voortzettingsvermogen, de Nederlandse krijgsmacht geen eredivisiespeler meer. De belangrijke posities in het elftal zijn al langer niet meer dubbel bezet. Dat geldt voor spullen én voor mensen en bleek al tijdens de missie in Uruzgan.

De inmiddels in gang gezette reorganisatie, zal de situatie niet verbeteren. Integendeel! Het opheffen van schepen, squadrons, tankbataljons en het schrappen van twaalfduizend functies zal niet alleen de robuustheid van de Nederlandse krijgsmacht (verder)aantasten, maar heeft daarnaast het vertrouwen van het personeel in Defensie als betrouwbare werkgever een flinke knauw gegeven. Vertrouwen dat juist bitter nodig is bij expeditionair optreden.

Laten we gewoon man en paard noemen: de meeste militairen hebben er gewoon flink de pest in om – zonder enige visie – bij elke bezuinigingsoperatie van de overheid weer de klos te zijn, maar wel maanden van huis te zijn en risico’s lopen bij inzet in opdracht van diezelfde overheid.
Aan het snijden in Defensie lijkt geen einde te komen. Het recente regeerakkoord van Rutte II vormt daarop geen uitzondering. Hoewel het uitblinkt in onduidelijkheid over tal van zaken, is wel helder dat Defensie gewoon mee moet doen met de algemene kaasschaaf van 2% en daarnaast geen compensatie krijgt voor prijsstijgingen. Met de huidige inflatie van 3% hollen we dus gewoon weer 5% achteruit! Dat zijn honderden miljoenen die allemaal bezuinigd moeten worden. Dat moeten andere overheidsdiensten ook, maar bij Defensie komt dat bovenop het miljard waar we nog volop mee bezig zijn. Daarnaast wordt een deel van het budget (250 miljoen) in feite aan buitenlandse zaken gegeven. Hoewel het misschien te vroeg is om met zekerheid vast te stellen hoe hiermee gehandbald wordt, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat de (PvdA) bewindslieden op buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking dit geld liever in zullen zetten voor andere internationale taken dan het financieren van militaire inzet. Wat overblijft, is een gehandicapte krijgsmacht.

Meer minder

Laten we maar eens een paar arbeidsvoorwaardelijke zaken bij de kop nemen en trachten die te duiden in het licht van lopende en te verwachten personele ontwikkelingen. In de eerste plaats is in het regeerakkoord de nullijn voor de ambtenaren afgesproken. Er zal dus ook de komende jaren voor de defensiemedewerkers geen cent bijkomen. De meeste militairen zullen echter voor hun gezinnen te maken krijgen met toenemende kosten ten gevolge van beperkingen in de hypotheekrenteaftrek, hogere belastingen en stijgende kinderopvang en zorgkosten.

Dan de Wet Uniformering Loonbegrip. Hiermee beoogt het kabinet het loonstrookje te vereenvoudigen door een nagenoeg inkomens neutrale ingreep. De WUL schaft de belasting over inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekering af, onder gelijktijdige verhoging van de inkomstenbelasting. De gemiddelde Nederlander merkt daar vrijwel niets van maar voor militairen leidt deze ingreep tot een extra structureel koopkrachtverlies, tot 5%. Militairen kennen in hun gesloten, verplichte zorgstelsel namelijk geen inkomensafhankelijke bijdrage en krijgen dus alleen de negatieve effecten van de wet voor hun kiezen: een fikse belastingverhoging. Feest voor het ministerie van Financiën ten koste van alle militairen! Over eventuele compensatie voor 2014 en verder, zou volgens werkgever Defensie kunnen worden gesproken in het arbeidsvoorwaardenoverleg. De benodigde compensatie moet dus uit de bestaande arbeidsvoorwaarden worden betaald: een sigaar uit eigen doos.

Daarvan zullen er, naar ik vrees, nog veel meer volgen. Het gaat namelijk momenteel met alle specifieke regelingen voor militairen dezelfde kant op: als ze tot enige ‘voordeel’ leiden, worden ze genivelleerd en als ze tot ‘nadelen’ leiden, hebben militairen gewoon pech gehad. Dat die voor- en nadelen vroeger een soort evenwicht vormden, telt dan even niet meer mee. Kijk maar naar de buitenlandtoelages, kinderbijslag voor in het buitenland geplaatste militairen, reiskostenvergoedingen en het reizen met de eerste klasse in de trein. Het gedachtegoed van de ‘pluk-ze-wetgeving’ wordt in deze dagen door de overheid wel erg ruim op de (militaire) ambtenaren toegepast.

(Pre-) pensioen

Maar er is nog meer. De pensioenleeftijd voor militairen is de afgelopen jaren van 55 jaar naar 60 jaar verhoogd. Dat zijn dus vijf jaar erbij! Tegenover in de markt twee jaar. En daar zal het niet bij blijven. De verwachting is dat 62 het volgende tussenstation is. De teller staat dan op zeven jaar erbij.
Beleidsmatig kunnen we hopelijk nog een paar jaar enige steun van onze werkgever verwachten om dit scenario niet te overhaasten. Dat doet Defensie echter niet geheel onbaatzuchtig. Er moeten immers nog 12.000 functies ‘wegbezuinigd’ worden en dan zitten mensen die langer werken alleen maar in de weg.

Maar als in 2016 de organisatie ‘opgeschoond’ is, lijkt een verder verhoging van de leeftijd waarop militairen met vroegpensioen kunnen, onontkoombaar. De discussie in hoeverre het mogelijk is om op deze leeftijd aan de gewenste fysieke eisen voor veel functies te voldoen, schuift de werkgever lekker nog een paar jaar voor zich uit. Tot het te laat is en de wal het schip keert. Struisvogelpolitiek van het type dat we helaas veel vaker zien bij het huidige personeelsbeleid.

Over de hoogte van de (pre)pensioenuitkeringen durf ik bijna niet te schrijven. Iedereen die de afgelopen jaren het nieuws heeft gevolgd, weet dat het ABP er niet erg florissant voor staat en dat de hoogte van de pensioenuitkering absoluut geen gelijke tred heeft gehouden met wat de militairen in het verleden door de overheid voorgespiegeld is. Ook zal op enig moment de strijd om het “eindloonpensioen” voor militairen wel weer oplaaien. Geen vrolijk vooruitzicht.

Daarnaast dreigen er, door de ophoging van de AOW leeftijd, allerlei ‘gaten’ te ontstaan in de aan de AOW gekoppelde ‘franchise’ die in ons pensioen is ingebouwd. Dit kan tot forse verlagingen van het pensioen leiden. De werkgever Defensie lijkt ook niet bereid om dat te repareren. Meer waarschijnlijk is dat daarvoor weer een hoge prijs binnen het arbeidsvoorwaardenoverleg gevraagd gaat worden (langer doorwerken, afzien van verworven rechten, lagere pensioenuitkering).

Samengevat: het ziet er naar uit dat Defensie wil proberen alle ‘onbedoelde neveneffecten’ van nieuwe wetgeving financieel af te wentelen op het eigen personeel. Beloftes van de overheid zijn tegenwoordig kennelijk niets meer waard. Dat hadden we allemaal wel verwacht van bepaalde landen in Zuid-Amerika, maar het geldt tegenwoordig evenzo voor Nederland.

Flexibel

De invoering van het flexibele personeel systeem is een ander stukje van de personele legpuzzel. Want hoe mooi het ook klinkt, dat flexibele, het heeft natuurlijk maar één doel: zorgen dat er op elk moment snel en gemakkelijk ingespeeld kan worden op aanpassingen van de omvang van de krijgsmacht. In goed Nederlands: je moet op eenvoudige wijze en met zo min mogelijk kosten van je personeel af kunnen komen.

Op zich is het streven om bij alle categorieën militairen tussentijds vertrek te stimuleren begrijpelijk. In de tijd van de dienstplicht werd 60 % van de organisatie (de onderkant) gevuld met tijdelijke werknemers. Dat gold ook voor een groot deel van de lagere officiers en onderofficiersfuncties. Dienstplichtige kaderleden verdwenen na een jaar uit beeld en beroepskaderleden konden doorstromen. Er was dus plaats voor iedereen in de herberg. Elke KMS leerling kon adjudant worden en voor elke cadet van de KMA lag een overstefunctie in het verschiet.

Maar dat kan nu niet meer. Want terwijl het aantal beroeps luitenants en sergeanten dat bijvoorbeeld de landmacht nodig heeft, door het wegvallen van de dienstplichtige kaderleden, juist is toegenomen, is de omvang van de totale krijgsmacht en daarmee ook functies op een hoger niveau, sterk afgenomen. Die beroepskaderleden kunnen in een piramidale organisatie dus onmogelijk allemaal een loopbaan van veertig jaar volgen. Daar zijn gewoon geen functies voor! En 30 jaar werken als pelotonscommandant is ook geen optie. Er moeten dus mensen tussentijds uitstromen.
De vraag is dan hoe je hun arbeidsvoorwaarden vorm geeft op het moment dat ze de organisatie moeten verlaten. De Amerikanen doen dit al jaren door aan hun militairen na 15 dienstjaren een direct ingaand pensioen toe te kennen dat na 20, 25 en 30 jaar steeds iets hoger komt te liggen[1]. Veel militairen kiezen daar (al dan niet gedwongen) op 35, 40 of 45 jarige leeftijd voor een tweede carrière. De start hiervan wordt mogelijk gemaakt door de financiële zekerheid van het militaire vroegpensioen. Je gaat immers doorgaans iets heel nieuws doen en zult dus de nodige jaren met een flinke inkomensachteruitgang geconfronteerd worden.

Defensie heeft nu een aanzet tot een dergelijk regeling opgenomen in het Sociaal Beleidskader (SBK) 2012. Maar de percentages waarover we in Nederland praten, zijn lichtjaren verwijderd van de Amerikaanse verhoudingen. Zo krijgt volgens de ‘regeling gegarandeerd maandelijks inkomen’ in het SBK 2012 een medewerker met 24 dienstjaren een uitkering van 30% van het laatstgenoten bruto salaris. Dit loopt tot 37,5% voor mensen met meer dan 32 dienstjaren. Die zijn dan echter niet erg ver meer verwijderd van hun reguliere prepensioen met een uitkeringshoogte van ca. 70%. Door gebruik te maken van deze regeling doe je jezelf dus wel erg tekort. Maar ja… een meer realistische regeling kost Defensie veel geld. En dat is er nu even niet!
Toch is dit de enige oplossingsrichting waarin je met een professioneel beroepsleger aantrekkelijk blijft op de arbeidsmarkt, je krijgsmacht piramidaal en jong houdt en zonder grote onrust onder je personeel met een steeds weer in omvang wijzigende organisatie kunt omgaan. Maar het personeelsbeleid gaat momenteel precies de andere kant uit.

Baankansen

Volgens arbeidsmarktdeskundige zijn mensen tussen 45 en 65 jaar momenteel nauwelijks aantrekkelijk voor werkgevers. Ze kunnen niet veel meer dan mensen tussen 35 en 45 maar zijn veel duurder door het systeem van periodieke loonsverhogingen. Een groei in salaris die, na een zekere leeftijd, voor de meesten geen gelijke tred houdt met hun productiviteitstoename. In een krappe arbeidsmarkt zijn werkgevers bereid deze prijs te betalen, bij een ruime arbeidsmarkt en krappe marges niet. De roep om ‘flexibiliteit op de arbeidsmarkt’ wordt dan steeds luider. Dat klinkt namelijk stukken beter dan eenvoudig ‘dure mensen ontslaan’, maar in essentie is dat wel waar het op neerkomt.

In 2012 zijn er in Nederland meer dan 200.000 met een vaste aanstelling ontslagen, merendeels ouder dan 40 jaar. De meesten vinden geen werk meer. Bij jongeren wordt ontslag haast niet meer als zodanig geregistreerd. Zij heten sinds kort met een mooi woord de ‘flexibele schil’, want ze krijgen nauwelijks nog vaste contracten. Net als bij Defensie trouwens.
Als er in 2013 en 2014 duizenden defensiemedewerkers in dezelfde leeftijdscategorie zullen worden ontslagen, zal het probleem alleen maar toenemen. En bemiddelen van werk naar werk klinkt mooi, maar dan moet er wel passend werk zijn. Oh ja, dat gaat natuurlijk ook overboord: het begrip ‘passend werk’. Dan is er weer een probleem opgelost: ten koste van het personeel.

Solidariteit en vertrouwen

De aard van het werk bij Defensie brengt met zich mee dat er een hoge mate van onderlinge solidariteit en wederzijds vertrouwen moet zijn. Tijdens inzet en oefening moet je immers – soms letterlijk – je leven aan je collega’s toevertrouwen. De belangrijkste consequentie van de geschetste, gure wind in (defensie-) personeelsland is het wegvallen van die onderlinge solidariteit.
Dat komt in de eerste plaats door het groeiende wantrouwen van veel personeelsleden tegen een onbetrouwbare en onredelijke werkgever. In een organisatie waar het personeel bij elke nieuwe wet onevenredig gepakt wordt en waar niemand weet wie er als volgende ontslagen wordt, komt er onvermijdelijk een moment waarop individuele militairen een negatief beeld krijgen van de commandolijn boven hen.

Vooralsnog lijkt dat wantrouwen zich vooral toe te spitsen op de politici in Den Haag. Maar het is niet denkbeeldig dat dit wantrouwen zich de komende tijd uitbreidt naar de ambtelijke top van de defensieorganisatie en tenslotte ook afstraalt op de leiders van Defensie: de officieren. In het domein van de officier is immers door henzelf nadrukkelijk de kwalificatie ‘vertegenwoordiger van de werkgever’ opgenomen. Officieren moeten daarom steeds weer de slechte boodschap ‘verkopen’ aan hun mensen. Ze doen dat doorgaans met bewonderenswaardig enthousiasme en grote bevlogenheid. Positief denken is een kwaliteit. Maar alleen maar positief praten over negatieve dingen, is niet realistisch en maakt de boodschapper op den duur ongeloofwaardig. En bedenk: vertrouwen komt te voet, maar verdwijnt te paard! Terwijl juist militairen vertrouwen in de politiek moeten hebben. Politici besluiten immers over de inzet van de krijgsmacht, waarna militairen hun leven inzetten in het belang van ons land. Het ondermijnen van dit vertrouwen is slecht voor de band tussen politiek en krijgsmacht, een band die onmisbaar is binnen ons democratisch bestel.

Slot

Misschien is er momenteel geen geld voor, maar de krijgsmacht zal echt iets moeten doen aan de arbeidsvoorwaarden van de mensen die de organisatie tussentijds moeten verlaten. Toen de nieuwe personeelssystematiek in het begin van deze eeuw in zwang kwam, noemden we dat nog naïef up-or-out. Omdat dat zo lekker bekte en duidelijk aangeeft waar het om gaat. Na een paar jaar werd die term vanuit het ministerie verboden. Beleidsverantwoordelijken hebben inmiddels van communicatieadviseurs geleerd dat je vervelende dingen beter niet bij de naam kunt noemen. Dat geeft alleen maar ellende. Slimme eufemismen zoals ‘flexibel personeelssysteem’ doen het veel beter. Een hoop stront heet daarom tegenwoordig een portie voedingsstoffen residu, maar als je er met je schoen in stapt, is het net zo smerig.
Tegen deze achtergrond komen al die fraaie woorden over een ‘hart hebben voor het personeel’ in een dubieus daglicht te staan. De werkelijkheid is dat in de huidige economisch situatie en met de huidige arbeidsmarkt het personeel van de krijgsmacht een harde tijd tegemoet gaat. Mooier kan ik het niet maken.

Bron: Frans Matser, publicatie: Armex. Jan 2013.

Interessant? Deel het!
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  

5 REACTIES

  1. Vooral het stuk over de US pre pensioenen, iets waar ikzelf met Amerikanen over heb gesproken, zou een welkome aanvulling zijn! DoD heeft dat goed geregeld voor zijn personeel. En dat terwijl DoD-personeel niet eens een vakbond heeft. Waarom moeten vakbonden zo enorm vechten voor de arbeidsvoorwaarden van Defensiepersoneel? Waar blijven de daden voor het respect voor de krijgsmacht. Want iedere keer als ik weer een politicus hoor praten hoezeer zij de krijgsmacht respecteren denk ik aan de feiten van de laatste 15 jaar. Geen woorden maar daden!

  2. De crisis wordt nu voelbaar voor iedereen. Wat is het alternatief….. Kiezen voor personeel of materieel….

    • Altijd is het personeel belangrijk. Zij maken altijd het verschil. De zeeslag bij het atol Midway werd aan Japanse zijde verloren doordat het personeel slecht geschoold was. En slecht werd behandeld. Terwijl Japan wel de numerieke meerderheid had. Ja ja de toekomst leer je door naar het verleden te kijken

  3. Nog een jaar flexibel personeelssysteem (flexibel vriendjespolitiek) en dan kan de generaal zelf het kanon gaan bedienen. Succes alvast.

Comments are closed.