Op 23 september jl. is een belangrijke stap gezet mbt. de Bijzondere Positie van de militair. Op die dag hebben Defensie en de Centrales van Overheidspersoneel gezamenlijk de Bijzondere Positie van de militair formeel vastgesteld. Het gaat hierbij om een beschrijving van alle elementen die gezamenlijk de Bijzondere Positie van de militair vormen én een rapport, opgesteld door de Centrales, dat inhoudelijk in gaat op de verschillende elementen. Het formeel vaststellen van de Bijzondere Positie van de militair is slechts de eerste stap van het proces.

Regelmatig wordt de CMHF-sector Defensie in het Georganiseerd Overleg geconfronteerd met de ongewenste gevolgen van aanpassingen van wet- en regelgeving. Het betreft dan veelal algemene wet- en regelgeving, dus voor iedere Nederlander of werknemer, die voor de militair extra negatief uitpakt vanwege de Bijzondere Positie die de militair heeft als werknemer in Nederland. Het komt vaak voor dat de Bijzondere Positie van de militair volledig is genegeerd in de uitwerking van deze wet- en regelgeving.

Onderzoek
Na de formele vaststelling van de Bijzondere Positie van de militair dient de volgende stap het vaststellen te zijn van de waardering van deze Bijzondere Positie. Deze stap betreft de inventarisatie van de bestaande specifieke (afwijkende) arbeidsvoorwaardelijke regelingen:

  • Een zoektocht:
    • Welke regelingen zijn er?
    • Is hiermee de volledige Bijzondere Positie van de militair afgedekt?
  • Een beoordeling:
    • Wat is de inhoud van de verschillende regelingen?
    • Is de inhoud van deze regelingen voldoende om op recht te kunnen spreken van ‘waardering’?

Als uit deze stap blijkt dat de bestaande (specifieke) arbeidsvoorwaardelijke regelingen niet de gehele Bijzondere Positie afdekken en/of als blijkt dat kwalitatief iets schort aan deze regelingen zullen Defensie en de Centrales voor deze ontbrekende regels een invulling overeen moeten komen. Een uitkomst zal naar verwachting ook zijn dat het evenwicht tussen de ‘lasten’ van de Bijzondere Positie en de ‘lusten’ die hier voor de militair tegenoverstaan niet in verhouding zijn. En niet in het voordeel van de militair!

Uiteindelijk moet dit alles leiden tot één pakket aan specifieke arbeidsvoorwaarden dat één op één is gekoppeld aan de Bijzondere Positie van de militair.

Financiële arbeidsvoorwaardelijke ruimte
Jaarlijks wordt door de minister van Financiën voor alle overheidssectoren bepaald hoe groot de financiële ruimte is voorverbetering van de arbeidsvoorwaarden, de zogenaamde prijsbijstelling. In principe is deze ruimte voor elke overheidswerkgever, procentueel gezien, gelijk. Het is vervolgens aan de overheidswerkgever en de Centrales om te komen tot een verdeling van deze ruimte over de verschillende arbeidsvoorwaarden binnen de sector. Hierbij gaat de regering er vanuit dat elke overheidssector ongeveer gelijke arbeidsvoorwaarden kent. En bij dit laatste wringt de schoen (behoorlijk).

Defensie kent, net als de andere overheidssectoren, de ‘reguliere’ arbeidsvoorwaarden, zoals salaris, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, overwerkvergoeding, verlof, reiskosten, etc. Defensie kent echter daarnaast (een groot aantal) unieke arbeidsvoorwaarden die aansluiten bij de Bijzondere Positie van de militair (voorbeelden zijn de vaar- en oefentoelage en de VVHO-toelage die wordt uitgekeerd bij missies). Deze unieke arbeidsvoorwaarden hoeven in beginsel geen probleem te vormen omdat ze worden meegenomen in de grondslag van de financiële arbeidsvoorwaardelijke ruimte. Daarnaast kan de regering besluiten een departement extra gelden toe te kennen ten behoeve van verbetering van arbeidsvoorwaarden. Het gaat dan om ‘een extraatje’ en dit geld wordt specifiek toegewezen tbv. het personeel. De laatste keer dat dit voor Defensie geschiedde was in 2013. Echter de minister van Defensie besloot toen dit geld niet te besteden aan de arbeidsvoorwaarden, maar o.a. aan het behoud van het 45e pantserinfanteriebataljon, de kazerne in Assen en het JSS.

De militair wordt beschouwd als ‘gewone’ werknemer
Naast de erkenning en waardering voor de militair en de Bijzondere Positie die deze heeft als werknemer in Nederland, is dit totaal pakket van specifieke arbeidsvoorwaarden, dat één op één is gekoppeld aan de Bijzondere Positie van de militair, ook van belang als het gaat om algemene regelgeving en vergelijking van de arbeidsvoorwaarden van de militair met andere (rijks)ambtenaren. De militair wordt nu in nagenoeg alle gevallen beschouwd als een ‘normale’ werknemer. Op het moment dat algemene regelgeving tot stand wordt gebracht wordt veelal niet bekeken of deze algemene regelgeving een afwijkend (voornamelijk negatiever) effect heeft als gevolg van de Bijzondere Positie. Het bekendste voorbeeld hiervan is de invoering van de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL).

Niet minder belangrijk is het totaal pakket wanneer het gaat om de jaarlijkse vergelijking door het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden van (rijks)ambtenaren. Nu worden alle arbeidsvoorwaarden van de militair hierin meegenomen, ongeacht of deze een directe relatie hebben met de Bijzondere Positie van de militair. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de oefentoelage. Deze toelage (=afkoop van extra beslaglegging) is direct gekoppeld aan de vrijstelling van de arbeidstijdenwet tijdens oefeningen, een element van de Bijzondere Positie van de militair. Bij de vergelijking met de andere (rijks)ambtenaren wordt deze oefentoelage echter als overuren geteld. Het is dan niet vreemd dat het totaal aan secundaire arbeidsvoorwaarden van militairen ruim boven die van andere ambtenaren uitkomen; deze worden dus gezien als ‘goud gerande arbeidsvoorwaarden’.

Voor een goede (pakket-) vergelijking zou het totaal pakket aan specifieke arbeidsvoorwaarden, alsmede de financiële omvang daarvan, buiten deze jaarlijkse vergelijking moeten worden gehouden. Dan wordt het voor de buitenwereld duidelijk hoe de verhoudingen echt liggen.

Uitdragen
Als laatste is het totaal pakket belangrijk voor de militair zelf en zijn of haar omgeving. De militair heeft op dit moment veelal zelf geen idee of het gevoel dat hij of zij een werknemer is met een Bijzondere Positie ten opzichte van alle andere werknemers in Nederland. Als de militair zelf al niet het besef en/of het gevoel heeft dat hij of zij een Bijzondere Positie heeft, mag niet van de omgeving verwacht worden dat deze dat wel als zodanig (h)erkent.

Het is daarom in het belang van elke militair om deze Bijzondere Positie, daar waar mogelijk, voor het voetlicht te brengen én te houden. Het totaal pakket aan specifieke arbeidsvoorwaarden, aangevuld met concrete praktijk voorbeelden, geeft de militair houvast om deze Bijzondere Positie met trots uit te dragen en daarmee de noodzakelijk draagkracht te verwerven. Uiteindelijk is de militair zelf, met zijn of haar eigen (dienst)verhaal, de beste ambassadeur.

Bronnen: CMHF sector Defensie
PRODEF René Pieters (onderhandelaar)