Deelname aan het JSF-programma en het ontwikkelen van de JSF kost de Staat geld in de vorm van investeringskosten. Daar staat tegenover dat het orders voor de Nederlandse industrie oplevert en dus werkgelegenheid en technische kennis. Daarom laat de overheid de industrie meebetalen aan de investeringskosten in de vorm van afdrachten.

Deelname aan het ontwikkelen van de JSF vergt aanzienlijke investeringen van de Staat. Investeringen die niet gedaan hoeven worden, als de JSF als bestaand vliegtuig ‘van de plank’ wordt gekocht. Het kabinet zag in 2002 echter de voordelen van deelname voor de Nederlandse luchtvaartindustrie. Als Nederland partner in het JSF-programma zou worden, zouden Nederlandse bedrijven immers orders ontvangen. Deze orders leveren werkgelegenheid en technische kennis op voor Nederlandse bedrijven, die weer tot orders van andere partijen kunnen leiden.

De Staat en de industrie spraken toen de Medefinancieringsovereenkomst (per order een afdracht van een percentage van de omzet) af, waarin werd vastgelegd dat bedrijven die orders ontvangen door de Nederlandse deelname aan het JSF-programma, een financiële bijdrage leveren. Op die manier betalen zij de meerkosten terug die de Staat maakt voor deelname aan de ontwikkeling van de JSF. Uitgangspunt was dat de Staat niet duurder uit wilde zijn bij deelname aan de JSF-ontwikkelfase dan wanneer de JSF als bestaand jachtvliegtuig zou worden gekocht. In 2010 zijn aanvullende afspraken gemaakt over de Medefinancieringsovereenkomst. Sindsdien hoeft de industrie minder bij te dragen aan de investeringskosten van de Staat.

De Nederlandse industrie vindt dat zij over haar JSF-productie- en onderhoudsorders een te hoog percentage moeten afdragen. Sinds 2008 wordt 2% afgedragen aan de Nederlandse staat voor de ontwikkeling van het toestel en vanaf 2017 zal dit afdracht percentage maximaal 4,1% bedragen. Het bedrijfsleven vindt nu dat hierdoor de concurrentiepositie van de deelnemende Nederlandse industrie wordt geschaad.

Bron: Algemene Rekenkamer
NU economie