Onlangs stond de bijzondere positie van de militair op de agenda van het Algemeen Overleg Defensie in de Tweede Kamer. De minister van Defensie (namens het Kabinet) had daarover een brief geschreven.

Tijdens dit overleg is de bijzondere positie van de militair (wederom) bevestigd door de Tweede Kamer. Dit is goed nieuws voor zowel de militair als de minister van Defensie. Vanaf dat moment kan de minister en/of kunnen Kamerleden immers bij iedere algemene wetswijziging, verwijzen naar de bijzondere positie, als de belangen van Defensie en haar militairen worden geschaad. Op deze wijze kunnen negatieve gevolgen vanwege een algemene wetswijziging, voor de militair dan wel Defensie worden voorkomen door Defensie uit te sluiten van deze wetswijziging, of door een specifieke aanvullende maatregel in de wetstekst op te nemen.

Helaas moet worden geconstateerd dat de praktijk in deze weerbarstig is. Onlangs was in de Tweede Kamer het wetsvoorstel versnelde ophoging AOW aan de orde. Een ruime meerderheid in de Tweede Kamer was voorstander van het versneld ophogen van de AOW. Die versnelde ophoging heeft echter negatieve financiële gevolgen voor Defensie. Immers, het AOW-gat van de gewezen militair met UGM wordt door de versnelling groter én conform het onlangs afgesloten deelakkoord wordt dit gat door middel van een voorziening vanuit Defensie gedicht. Het vervroegde uittreden van de militair is een rechtstreeks gevolg van de bijzondere positie van de militair, zoals vastgelegd in de Militaire Ambtenaren Wet en dus bij uitstek geschikt als lakmoesproef.

Het was het eerste moment waarop parlementariërs, met een verwijzing naar de vastgestelde bijzondere positie, om compensatie voor Defensie hadden kunnen vragen. Dit laatste is echter niet geschied. Het zou natuurlijk kunnen dat in de voorbereiding van het debat de onlangs vastgestelde bijzonder positie nog niet is meegenomen. Misschien tegen beter weten in zou je misschien hier je hoop op kunnen vestigen. Want als de vaststelling van de bijzondere positie van de militair verwordt tot een ‘papieren tijger’, dan zullen de vervolgonderhandelingen op het eerste deelakkoord lastig worden. Alleen een evenwichtige balans tussen aan de ene kant de lasten van de bijzondere positie en aan de andere kant de lusten voor de militair en zijn/haar thuisfront, kan ervoor zorgdragen dat Defensie een goede en aantrekkelijke werkgever is.

Standpunt ODB: De ODB is al meerdere keren in het geweer gekomen tegen maatregelen die zeer nadelig uitpakten voor de (ex-)militair bij Defensie. Keer op keer werd de bijzondere positie van de militair bij de besluitvorming “over het hoofd” gezien, “vergeten” of ..…. . De wet uniformering loonbegrip (WUL) was helaas een van de “goede” voorbeelden hiervan. Het is maar te hopen dat in de toekomst er wel rekening mee wordt gehouden en dat de (her)bevestiging van deze bijzondere positie geen ‘betonnen zwemvest’ is maar een uitgangspunt is waar op kan worden vertrouwd!

Bron: Marc de Natris
Prodef
Redactie ODB