IJzeren Gordijn vervolg..

968
Militaire Vakbond ODB
Militaire Vakbond ODB

Vervolg…

Deze verdrijving had, zoals gezegd, de volle goedkeuring van Churchill en Roosevelt. Al in 1944 noemde Churchill ze in het Lagerhuis de meest duurzame methode om vrede te bereiken. Roosevelt vergeleek ze met de bevolkingsruil in 1921-1922 tussen Turkije en Griekenland. Stalin was de meest fervente voorstander van deportatie.

Na de fase van etnische zuivering, volgde de verovering van de jeugd. Uiteraard verdwenen de Hitlerjugend (HJ)en de Bund Deutscher Mädel (BDM), maar ook de andere jeugdverenigingen moesten plaats ruimen voor de communistische, die dan misleidende namen kregen zoals de Freie Deutsche Jugend. Jeugdkampen van protestantse of katholieke organisaties werden door de Russische soldaten hardhandig beëindigd.

In Hongarije werden ruim 2.000 organisaties verboden, niet enkel jeugdbewegingen, maar ook atletiekclubs en christelijke vakbonden. In 1950 mocht er nog maar één jeugdvereniging bestaan: de Bond van de Werkende Jeugd. In Polen werd dat de Poolse Jeugdbond (1948). De wijdverbreide padvinderij moest het onderspit delven.

De radio en later de TV ontsnapten ook niet aan de Sovjetingrepen. Lieden zoals Markus Wolf, die in Moskou opgeleid waren, kwamen aan het hoofd van instellingen te staan. In Polen waren er op het einde van de oorlog geen radiostations meer. Rusland heeft ze daar opnieuw geïnstalleerd in augustus 1944. Ook hier moest de radio meehelpen om “het nieuwe type mens te scheppen” . Ook in Hongarije kregen de communisten de leiding over de nationale omroep.

De politieke situatie is gekend: de akkoorden van Jalta omtrent zelfgekozen democratische instellingen werden eenvoudigweg  genegeerd. Al in mei 1945 schreef Churchill aan Truman: “Een ijzeren gordijn wordt neergelaten en wij weten niet wat zich daarachter afspeelt”. In maart 1946 herhaalde hij dat in zijn overbekende pathetische toespraak.

Tussen 1945 en 1947 liet Stalin de niet-communistische partijen nog bestaan, maar de verkiezingen verliepen al onder merkwaardige en frauduleuze omstandigheden. Sommigen van hun kandidaten werden opgepakt, van de lijsten geschrapt, geëxecuteerd of verbannen naar voormalige nazikampen, waar men ze liet sterven van honger en uitputting.

Toch haalden de traditionele partijen veruit de meeste stemmen, zoals de Kleine Landbouwers in Hongarije, die 57 procent kregen tegenover 16,9 voor de Communistische Partij (CP). Gevolg: de communisten, de Sovjets en het Rode Leger zorgden met nog meer repressie en arrestaties dat de volgende verkiezingen uiteindelijk in hun voordeel werden beslecht.

De coup van Praag (februari 1948) was geen alleenstaand geval. De Bulgaarse communisten gingen nog een stap verder: ze lieten hun tegenstander Nikola Petrov vermoorden. Hij had een derde van de stemmen gehaald, ondanks de intimidatie en de fraude.

De omvorming van de economie was de volgende stap. Ze begonnen met de landhervorming, meer bepaald de landerijen van gevluchte, verdreven of omgekomen eigenaars. In Polen waren de boeren zeer wantrouwig tegenover elke vorm van collectivisering, in Hongarije iets minder.

Daar had in 1939 0,1 procent van de eigenaars nog 30 procent van de grond. In maart 1945 werden alle domeinen van meer dan 570 ha onteigend, samen met de landerijen van Duitsers, ‘verraders en collaborateurs’. Ook kerkelijk bezit werd niet ontzien. De gronden werden verdeeld onder 750.000 boeren en landarbeiders. De reacties liepen uiteen van dankbaarheid tot vijandigheid. De meeste kleine boeren schaarden zich niet achter de CP, maar bleven hun partij van Kleine Landbouwers trouw.

De volgende stap was het onteigenen van de middenstanders en marktkramers. De Jaarbeurs van Leipzig, sinds de Middeleeuwen een trefpunt van kleine bedrijven die hun nieuwe producten te koop aanboden, werd in 1947 gedegradeerd tot een communistische propagandaplek, waar geen textiel meer te koop was.

Restaurants werden in een zeer negatief daglicht gesteld, genationaliseerd of gesloten. Grote industriëlen werden onteigend op beschuldiging van medeplichtigheid aan het nazisme. In Saksen gebeurde dat na een referendum met de volgende tendentieuze vraag : “Mogen de fabrieken van oorlogsmisdadigers en nazicriminelen overgedragen worden aan het volk?”

Economisch gezien waren de nationalisaties overal een regelrechte flop. In Hongarije leidden ze in de zomer van 1946 tot een hyperinflatie: men telde de pengö met miljarden. Per dag halveerde de waarde van de munt. Er kwamen tekorten aan bijna alles, een fenomeen dat heel de geschiedenis van het Oostblok kenmerkte. Partijeconomen beseften wat er mis liep, maar hun pleidooien voor het behoud van private bedrijven werden stelselmatig  genegeerd.

Eind 1948 hadden de communisten samen met de sovjets enorme veranderingen doorgevoerd, maar ze bleven onpopulair en de ontevredenheid bij de bevolking nam toe. De verharding die vanaf 1947-1948 plaatsvond, koppelt Applebaum niet aan gebeurtenissen in het Westen (Trumandoctrine, Marshallplan, blokkade van Berlijn), maar volgens haar waren ze vooraf gepland en koos Stalin voor geleidelijkheid. In 1948-1949 drong hij er zelf op aan dat communistische leiders harder moesten optreden, zeker tegen de kerken.

Vooral de aanvallen op kerkelijke leiders werden heviger. Poolse katholieke priesters werden in groten getale naar sovjetkampen gestuurd. Ook leiders van katholieke jeugdbewegingen werden hard aangepakt. Kinderen en studenten, die hun godsdienst niet verloochenden, werden van school en van de universiteit gestuurd.

Confessionele scholen werden genationaliseerd, kloosters en seminaries werden gesloten, nonnen kregen verbod om nog in ziekenhuizen te werken, christelijk onderwijs werd verboden, de katholieke liefdadigheidsinstelling Caritas werd genationaliseerd. Overal werden priesters en kardinalen aangehouden, valselijk beschuldigd, gefolterd, en opgesloten.

De bekendste was kardinaal Mindszenty in Hongarije. In 1919 was hij al eens gevangen genomen door de communisten van Bela Kun en in 1944 door de fascistische Pijlkruisers(een verzameling van diverse extreem antisemitische en fascistische bewegingen) . In oktober 1945 waagde hij het een brief te schrijven waarin hij zei dat een nieuwe totalitaire dictatuur de plaats van de vorige begon in te nemen.

In mei 1946 demonstreerde hij met de ouderverenigingen tegen de sluiting van de confessionele scholen. In 1947 keurde hij openlijk de afschaffing van het vak godsdienst af. Elke aanval op de kerk beantwoordde hij met een tegenaanval. Door de gelovigen werd hij op handen gedragen. In december 1948 had het regime er genoeg van. Hij werd gearresteerd, wekenlang verhoord en gemarteld. Na een vervalst proces werd hij tot gevangenisstraf veroordeeld tot aan de Hongaarse revolutie van oktober 1956. De Poolse kardinaal Wyszynski ontweek de confrontatie, maar werd in 1953 uit voorzorg door het regime gevangen gezet.

De communisten probeerden ook priesters aan hun kant te krijgen in ruil voor privileges gelijk aan de partijleden met hoge functies binnen de Communistische Partij (de Nomenclatura), zoals de toegang tot artsen en ziekenhuizen en materiaal voor de bouw van kerken.

Behalve de geestelijken, waren er nog veel meer “vijanden in eigen land”. In Polen werd er een lijst opgesteld van wel 43 categorieën, samen goed voor 6 miljoen mensen of 1 op de 3!

Bij hen zaten welgestelde burgers, voormalige landeigenaars, officieren. De paranoia nam enorme afmetingen aan. Deze ‘vijanden’ werden opgepakt en opgesloten. In 1948 telde Polen 26.400 politieke gevangenen, in 1954 waren dat er al 84.200. Hier waren de tienduizenden die rechtstreeks naar de Sovjetgoelag waren gestuurd, waar ze vele andere Oost-Europese lotgenoten tegenkwamen, niet bijgerekend.

De Sovjetkampen werden ook nagebouwd in o.a. Tsjecho-Slowakije: 18 stuks, waar de gevangenen uranium moesten delven voor de Russen, zonder beschermende kleding. Roemenië telde ca. 180.000 politieke gevangenen. In Hongarije was het nieuw opgerichte concentratiekamp Recsk het beruchtste werk- en folterkamp binnen het Oostblok.

Het onderwijs kreeg de taak de kinderen om te vormen tot het ideale model van de homo sovieticus. In de kleuter- en lagere scholen werden de kinderen gekneed volgens de theorieën van pedagoog Makarenko. Kinderverhalen werden herschreven volgens de leer van Karl Marx en Lenin.

Leerkrachten en professoren werden herschoold. Leraren Duits mochten Russisch gaan geven. Wie niet meewerkte, verloor zijn baan. Indoctrinatie en desinformatie waren vaste ingrediënten van het onderwijs, de jeugdbeweging en de media.

Elk land had ook snel zijn helden of heldinnen van de arbeid, die tot drie keer het quotum haalden en waar een hele cultus omheen ontstond, zoals rond Aleksej Stachanov. Hopelijk leverden zij hun prestaties niet in hun eentje, want zoals later bleek had Stachanov maar liefst zeven helpers. De term Stachanovist bestaat nog altijd en staat voor ideale arbeider hardwerkend en vooral zwijgzaam.

Die cultus was er ook rond kinderen zoals Pavlik Morozov (1918-1932), die hun ouders kwamen verraden omdat ze thuis kritiek hadden gegeven op het systeem. Pavlik werd wel daarna vermoord, samen met zijn broer, door onbekenden, omdat hij zijn vader had verraden.

Elk land kreeg ook zijn nieuwe communistische kalender, waar geen enkele christelijke feestdag meer op voorkwam. Wie deelnam aan de feestelijkheden, werd beloond. Schrijvers zoals Goethe of componisten zoals Chopin, bleken plots ‘communisten avant la lettre te zijn. En de Vredeskoers tussen Warschau, Praag en Berlijn, met start op 1 mei, moest in de plaats komen van de ‘kapitalistische’ Tour de France, wat trouwens totaal mislukte.

Het hoofdstuk dat gaat over socialistisch realisme, legt uit hoe alle literatuur en kunst in dienst van het socialisme moesten staan. De socialistische werkelijkheid werd er mooier in voorgesteld: iedereen straalde arbeidsvreugde en geluk uit.

De Sovjet-architectuur, bedoeld om te imponeren en te intimideren, werd overal de norm voor cultuurpaleizen, overheidsgebouwen en woonwijken. Hele traditionele stadsdelen moesten hiervoor worden afgebroken. En de filmindustrie werd een puur propagandamiddel.

Ideale steden (hoofdstuk 15) begint met de bouw van grote staalfabrieken: Sztalinvaros in Hongarije, Eisenhüttenstadt of Stalinstadt in de DDR, Nowa Huta in Polen. Ze werden ontworpen door Russische ingenieurs, die zorgden tevens voor de ruimtelijke ordening in de nieuwe steden rond deze fabrieken.

Die nieuwe steden groeiden zeer snel: Nowa Huta, gesticht in 1949, telde 19.000 inwoners op het einde van 1950 en 102.000 in 1960. Maar de gloednieuwe hoogovens haalden slechts 58 procent van het plan. Er werden ‘schuldigen’ gezocht en gevonden voor de ‘sabotage’. En de leefomstandigheden in de overvolle saaie flats, met te weinig gemeenschappelijke voorzieningen voor te veel mensen. Dit leidde tot crimineel gedrag en dat dan weer tot campagnes tegen criminelen.

Meewerken tegen wil en dank (hoofdstuk 16) plus passief verzet (hoofdstuk 17) handelen over de vele mensen die minder enthousiast waren dan de ‘fellow travellers’ zoals Sartre en Picasso. Verder ook over de vele privileges van de nomenclatura, die hun eigen winkels met westerse goederen hadden en in hun villa’s en appartementen over alles beschikten wat ze wensten. De rode proletariër kon daar enkel van dromen.

Vele mensen namen een dubbele persoonlijkheid aan: schijnbaar loyaal op het werk, kritisch thuis. Het regime stond zeer wantrouwig tegenover ‘opstandige jongeren’, die zich westers probeerden te kleden of een westers kapsel droegen. Ze kregen namen zoals ‘saboteurs’ of ‘spionnen’.

De moppencultuur zat ook vol met kritiek op het regime, dat totaal geen gevoel voor humor had. De overheid had ook veel problemen met het onderdrukken van religieuze gevoelens en van pelgrimstochten, die ze beschouwde als vormen van passief verzet. Ook het wegvluchten was een vorm van verzet. De Deutsche Democratische Republiek (DDR) verloor tussen 1945 en 1961 ruim 3,5 miljoen van zijn 18 miljoen inwoners.

Hoofdstuk 18 behandeld de revoluties van 1953, na de dood van Stalin, en die van 1956, na de toespraak van de Russische president Nikita Chroesjtsjov. Deze zijn algemeen bekend, maar worden hier nog eens in detail beschreven, inclusief het optreden van de Russische tanks en de executie van Lavrenti Beria (Het hoofd van de Russische geheime dienst NKVD, voorloper van de KGB vandaag de dag de FSB) op bevel van Chroesjtsjov. Saillant detail: Klement Gottwald president Tsjecho-Slowakije  kreeg een dodelijke hartaanval direct na de begrafenis van Stalin, tijdens de speech van Nikita Chroesjtsjov.

Bij de onderdrukking van de Hongaarse opstand (1956) nam de Russische generaal Ivan Serov twee leiders gevangen: Pal Maleter en Imre Nagy. Nadien werden ze geëxecuteerd, niet op bevel van Chroesjtsjov, maar van hun ‘kameraad’ Janos Kadar, die naar de vijand overgelopen was.

De epiloog geeft de evolutie weer van 1957 tot 1989 dit tijdperk is minder uitgewerkt dan de periode hiervoor.

resumé .

Het boek is levendig geschreven, maar bevat weinig analyse van de motieven en drijfveren van de Russische heersers. Na lezing van het boek is van enige mogelijke ‘Ostalgie’ geen sprake meer. Met enkele kaartjes, drie katernen zwart-witfoto’s, eindnoten, een literatuuroverzicht en register

bron: Dewereldmorgen.be

noot: Boek is o.a. verkrijgbaar via de boekshop van De wereldmorgen.be Deel I van het boek gaat over de installatie van het communisme, deel II over de consolidatie.

auteur Anne Applebaum

549 pagina’s

ISBN: 9026326300

Interessant? Deel het!
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
  •