De pensioenopbouw
Uitgaande van een pensioenregeling die in 40 jaar een pensioeninkomen (inclusief AOW) van 70% van het laatstverdiende inkomen geeft, wordt in die 40 jaar dan 40 x 1,75% = 70% van de pensioengrondslag opgebouwd (De pensioengrondslag is het bedrag dat de basis is van elke pensioenberekening). Bij een dienstverband van 30 jaar wordt derhalve 30 x 1,75% = 52,5% van de grondslag opgebouwd. Het uiteindelijke pensioeninkomen is in dat geval dus veel lager.

De 3 soorten werknemerspensioen:

  1. Ouderdomspensioen
    Bij een ouderdomspensioen dat voor de 65- jarige leeftijd ingaat spelen twee problemen een rol;

    • De AOW uitkering is nog niet ingegaan terwijl het pensioen als een aanvulling daarop is bedoeld;
    • De inkomstenbelastingplichtige is tot zijn 65-ste een hoger percentage sociale premies verschuldigd dan na zijn 65-ste. Een tijdelijke overbruggingspensioen (TOP) biedt hiervoor in veel pensioenregelingen de oplossing.
  2. Nabestaandenpensioen
    De kring van nabestaanden is door de Wet op de loonbelasting beperkt tot (ex-) echtgenoten, (ex-) partners en kinderen. Deze hebben recht op het nabestaandenpensioen op het moment dat de deelnemer overlijdt. Dit pensioen mag maximaal 50% bedragen van het door de overledene in zijn huidige functie bereikbare eindloon.
  3. Arbeidsongeschiktheidspensioen
    Een arbeidsongeschiktheidspensioen dient om een inkomensterugval als gevolg van gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid op te vangen. Pas na een jaar ziekte kan recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen ontstaan. Op het moment dat een werknemer weer arbeidsgeschikt wordt verklaard stopt het recht op een arbeidsongeschiktheidspensioen. Het recht vervalt ook wanneer de pensioengerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd bereikt (ouderdomspensioen ) of (voortijdig) komt te overlijden.

Waarborging
Op grond van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) is de werkgever verplicht maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat gedane toezeggingen daadwerkelijk worden nagekomen. Het gaat dan met name om de daadwerkelijke betaling of afdracht van de pensioenpremie door de werkgever.

Fiscale behandeling pensioenen
Pensioenregeling voldoet aan de eisen die gesteld worden in de Wet op de loonbelasting, is over de aanspraak (een recht op uitkeringen in de toekomst) geen loon – of inkomstenbelasting verschuldigd. De toekomstige uitkeringen worden daarentegen wèl belast: pensioen is dus eigenlijk uitgesteld loon.

Een werknemerspensioen is een aanspraak op periodieke uitkeringen waarvan de opbouw gerelateerd is aan het verrichten van arbeid. Het pensioen is een aanvulling op de wettelijk geregelde uitkeringen. Het pensioen is niet op een wettelijke regeling gebaseerd maar op de (collectieve) arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer(s). Het aanvullende karakter blijkt uit het feit dat bij berekening van de hoogte van het pensioen rekening wordt gehouden met andere inkomsten. Zo wordt een uitkering krachtens een ouderdomspensioen verstrekt als aanvulling op de AOW. Het arbeidsongeschiktheidspensioen is een aanvulling op een uitkering krachtens de WAO. En bij een nabestaandenpensioen vormt de uitkering voor de begunstigde nabestaande een aanvulling op een eventuele uitkering krachtens de ANW.

Zoals gezegd vloeit een pensioenregeling niet uit de wet voort. Wèl worden aan pensioenregelingen door de wet bepaalde eisen gesteld. Deze hebben enerzijds betrekking op de fiscale behandeling van de pensioenen en anderzijds op de waarborging dat het pensioen te zijner tijd ook daadwerkelijk tot uitkering zal komen.

Pensioensystemen
We kunnen vier verschillende pensioensystemen onderscheiden:

  1. Beschikbare premiesysteem
    Jaarlijks stelt de werkgever een premie beschikbaar waarmee dan jaarlijks of op de pensioendatum een (stukje) ouderdomspensioen wordt aangekocht. Her systeem houdt dus geen rekening met salarisverhogingen. En door de inflatie kan het pensioenresultaat ook zeer tegenvallen;
  2. Middelloonsysteem
    Bij dit systeem wordt bij salarisverhoging alleen rekening gehouden met toekomstige jaren. Over voorgaande jaren is dan minder opgebouwd waardoor het eindresultaat in de regel lager is dan bij de eindloonregeling. Ook hier kan door inflatie de waarde van het pensioen tegenvallen;
  3. Eindloonsysteem
    Dit systeem komt nog steeds het meest voor. Bij salarisverhogingen worden zowel de verstreken als de toekomstige salarisverhogingen, in aanmerking genomen. De laatste (en vaak ook de hoogste) pensioengrondslag is dan bepalend voor de hoogte van het uiteindelijke pensioen dat de gerechtigde gaat ontvangen;
  4. Levensjarensysteem
    Dit systeem is gelijk aan een eindloonsysteem waarbij niet alleen de reële dienstjaren tellen maar op de pensioendatum van 40 fictieve dienstjaren wordt uitgegaan. Hier worden dus ook over niet reële dienstjaren verplichtingen aangegaan. Fiscale en financiële bezwaren zullen in de toekomst het levensjarensysteem doen uitsterven.

Carrièrebreuk en pensioengat
Bij een nieuw dienstverband krijgt de werknemer meestal te maken met een nieuwe pensioenregeling. Sinds 1994 is het wettelijke recht van waardeoverdracht vastgelegd in de PSW (Pensioen- en Spaarfondsenwet). Bij waardeoverdracht wordt de pensioentoezegging bij de oude werkgever in zijn geheel afgekocht. De afkoopsom wordt vervolgens gestort bij de nieuwe pensioenuitvoerder. Deze extra premiestorting wordt op basis van het aanvangssalaris bij de nieuwe werkgever herleid naar een aantal deelnemingsjaren. Deze extra deelnemingsjaren worden vervolgens opgeteld bij het aantal op te bouwen deelnemingsjaren onder de nieuwe regeling.

Militaire vakbond ODB
Militaire vakbond ODB

Als de nieuwe pensioenregeling identiek is aan de oude en het eindloon bij de oude werkgever gelijk is aan het aanvangsloon bij de nieuwe werkgever, dan zou de werknemer precies evenveel deelnemingsjaren krijgen als dat hij onder zijn oude regeling gekregen zou hebben. Indien er sprake is van een hoger aanvangsloon bij de nieuwe werkgever of een lager AOW-franchise in de nieuwe pensioenregeling, zouden er minder deelnemingsjaren kunnen worden ingebouwd. Een volledig pensioen op basis van 70% van de nieuwe grondslag is dan, ondanks de waardeoverdracht, niet haalbaar. Dit wordt carrièrebreuk genoemd.

Pensioengat
De waardeoverdracht was voor 1994 niet wettelijk geregeld. Zonder waardeoverdracht had de werknemer te maken met twee (of méér) pensioenregelingen: de oude regeling en de nieuwe. Salarisverhogingen in de nieuwe dienstbetrekking hebben dan geen effect op de oude pensioenrechten. De oude pensioenrechten blijven (weliswaar geïndexeerd) staan bij de oude pensioenuitvoerder en bij de nieuwe uitvoerder wordt opnieuw begonnen met opbouw van een (gedeeltelijk) pensioen. Dit wordt pensioenbreuk genoemd.

Verevening: de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Op 1 mei 1995 is de wet verevening pensioenrechten bij scheiding van kracht. Deze wet is van toepassing op echtscheidingen waarvan de echtscheidingsbeschikking op of na 1 mei 1995 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en op het uiteengaan van geregistreerde partners.De ex-partner heeft volgens de Wet verevening pensioenrechten recht op 50% van het tijdens de huwelijksperiode/duur van het partnerschap opgebouwde ouderdomspensioen, ongeacht het huwelijksgoederenregime of de partnervoorwaarden. De ex-partner heeft, onder bepaalde voorwaarden, zelfs een directe aanspraak op de pensioenuitvoerder van de werknemer. Het staat de partners vrij om vooraf in de huwelijkse voorwaarden of in de echtscheidingsconvenant af te wijken van deze regels.

In de verevening blijft de aanspraak op het bijzondere weduwen/weduwnaarspensioen buiten beschouwing. Wel heeft de ex-partner recht op dit bijzondere pensioen. De ex-partner ontvangt dus in beginsel de helft van het staande het huwelijk of partnerschap opgebouwde pensioen en het gehele weduwen/weduwnaarspensioen.

Verhoging AOW-leeftijd
De Eerste Kamer is op 10 juli 2012 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over de verhoging van de AOW-leeftijd. De AOW-leeftijd gaat in stapjes omhoog naar 66 jaar in 2019 en 67 jaar in 2023. Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting.

Het eerste stapje naar een hogere AOW-leeftijd wordt al in 2013 gezet. Vanaf 1 januari 2013 gaat de AOW-leeftijd met 1 maand omhoog. Wie bijvoorbeeld 65 jaar wordt op 22 januari 2013 krijgt vanaf 22 februari 2013 een AOW-pensioen.

Overzicht verhoging AOW-leeftijd